Public Notices

4 pages
3 views

Recensie de Vleeschouwer - Getekend door het lichaam: De rol van het lichaam bij de totstandkoming van persoonsidentiteit.

of 4
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.
Share
Description
Recensie de Vleeschouwer - Getekend door het lichaam: De rol van het lichaam bij de totstandkoming van persoonsidentiteit.
Transcript
  201  Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte , jrg. 105, nr 3, 2013, pag. 201-204 R  ECENSIE F LEUR  J ONGEPIER G REGORY   DE  V LEESCHOUWER    (2011). Getekend door het lichaam: De rol van het lichaam bij de totstandkoming van persoonsidentiteit . KVAB: Brussel, 267 pp. Getekend door het lichaam  is een bewerking van een proefschrift over de vraag naar de condities voor persoonsidentiteit door de tijd heen. Het debat van persoonsidentiteit beleef-de zijn hoogtepunt in de jaren tachtig, waarna het een rustpunt vond in een – min of meer – algemeen geaccepteerd neo-loc-keaans denkkader, waarbij persoonsidentiteit werd gezocht in psychologische continuïteit (het hebben van dezelfde herinneringen, intenties etc.). Recente-lijk ondervindt de vraag omtrent persoonsidentiteit hernieuwde interesse door filosofen die een alternatief willen bieden op dit psychologische denkkader, door de nadruk te leggen op narrativiteit, fenomenologische continuïteit, of de continuïteit van onszelf als biologische wezens (‘animalisme’). In dit boek gooit de Vleeschouwer het over een andere boeg door terug te grijpen op een neo-kantiaanse benadering van de rol van het lichaam als noodzakelijk voor-waarde voor psychologische continuïteit, waarmee hij een model biedt dat aan een boel intuïties van de deelnemers aan het debat recht doet.Het boek bestaat uit drie hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden Locke en Leibniz tegenover elkaar gezet: Locke verdedigt een criterium vol-gens welke het hebben van hetzelfde bewustzijn essentieel is, waartegenover Leibniz stelt dat aan deze ‘verschijnende identiteit’ een ‘echte identiteit’ vooraf moet gaan (p. 42). In hedendaagse termen, zou dit betekenen dat het hebben van hetzelfde bewustzijn vooraf moet gaan aan het hebben van een brein dat de mogelijkheidsvoorwaarde vormt voor bewustzijn. Dit brengt de Vleeschou-wer tot een bespreking van qualia  en een kritiek op ‘breinreductionistisch den-ken,’ welke beide informatief zijn, maar tegelijk enigszins lezen als een zijpad.Het tweede hoofdstuk is interessanter. Hier worden Hume en de neo-loc-keanen besproken, en laat de auteur zien dat het reductionistisch denken over persoonlijke identiteit, wat we in het bijzonder terugvinden in het werk van Derek Parfit, voortkomen uit een foutieve interpretatie van Lockes bewust-zijnscriterium. Terwijl decennia (of zelfs eeuwen) lang Lockes identiteits-principe geïnterpreteerd is als het hebben van dezelfde bewustzijns inhouden  (herinneringen en andere mentale toestanden), stelt de auteur voor dat we het moeten begrijpen als een type bewustzijn dat ons confronteert met “een zelf   dat aan onze waarnemingen en ons denken ‘vasthangt’” (p. 124). Hierbij legt de Vleeschouwer zich toe op het volgende citaat van Locke: “When we see, hear, smell, taste, feel, meditate, or will anything, we know that we do so ” (p. 124). Het is, legt de Vleeschouwer uit, niet het water van een rivier (de bewustzijnsinhoud) maar eerder “de bedding die ondanks het veranderende water altijd identiek blijft” (ibid.). Een interessante lezing, maar jammer is wel dat niet onderzocht wordt in hoeverre deze interpretatie zich onderscheidt van recente andere Locke-interpretaties, zoals bijvoorbeeld die van Galen Straw-son, die recentelijk een heel boek wijdde aan de stelling dat Lockes notie van  202  Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte , jrg. 105, nr 3, 2013, pag. 201-204 bewustzijn niet begrepen moet worden als een herinneringscriterium.De kracht van het boek ligt duidelijk in het laatste hoofdstuk, waarbij wordt teruggegrepen op een kritiek op het lockeaanse denkraam die in het hedendaagse debat over persoonlijke identiteit op de achtergrond is geraakt. Het gaat hier om het werk van Peter Strawson en John McDowell. Het centrale idee van deze filosofen is dat psychologische continuïteit niet los gedacht kan worden van lichamelijke continuïteit. Volgens McDowell vormt de weg die ons lichaam kruist door tijd en ruimte een afbakening  voor de continuïteit voor onze ervaringen (denk aan hoe geluiden zachter worden als je van de bron afloopt, of hoe objecten sneller langs je heen flitsen als je in de trein zit). Het lichaam zorgt voor een ‘context’ welke de noodzakelijke voorwaarde vormt voor de intelligibiliteit van onze ervaringen (wanneer ik naar beneden kijk en het plafond zie, is er iets mis). Het vormt een context die zelf dus geen onder-deel uitmaakt van onze waarnemingen, maar zonder welke er een ernstige vorm van incoherentie zou optreden. De Vleeschouwer neemt van McDowell over dat wanneer persoonsidentiteit bestaat uit psychologische continuïteit, zoals de neo-lockanen stellen, dan bestaat het ipso facto  ook uit een belang-rijke vorm van belichaamde continuïteit.In reactie op McDowell stelt Strawson dat het geen “beginning of wisdom” is, zoals McDowell het noemt, dat het eerste-persoonsperspectief of het ‘ik’ eigenlijk een lichaam is in de tijd en ruimte dat we kunnen aanwijzen, maar gewoon boerenverstand. Veel interessanter is de intersubjectieve dimensie die noodzakelijke is voor persoonsidentiteit. Om een perspectief te hebben, zoals het eerste persoonsperspectief of een ‘ik’, zijn er ook andere  perspectieven nodig: “Could we have ‘I’ at all without ‘you’ and ‘they’? (…) Could we have personal self-consciousness without consciousness of other persons?” (P. F. Strawson 1998, 148). In hoofdstuk drie heeft de auteur als doel beide stellingen – lichamelijk-heid en intersubjectiviteit – verder uit te werken in de notie die hij ‘lichame-lijkheid’ noemt. Hierbij het gaat het om “kennis van het lichaam zonder dat men zich daarvoor observationeel op het lichaam heeft moeten richten als op een object” en waarbij lichaam en bewustzijn samen “één onlosmakelijk geheel” vormen (p. 149). Er bestaat maar één manier, stelt de Vleeschouwer, om Kant’s “ich denke” te denken, en “dat is net door het niet te denken  maar het te zijn – als lichamelijkheid !” (p. 176) De echo van McDowell is onmisken-baar wanneer de Vleeschouwer stelt dat zelfbewustzijn enkel valt te begrijpen als “het subjectieve gezichtspunt (de binnenkant) van wat langs de buitenkant (het derde-persoonsstandpunt) het traject van het lichaam is” (p. 182). Echter, waar McDowell de nadruk legt op de objectieve ‘pad’ van het lichaam, bena-drukt de Vleeschouwer, door zich te beroepen op fenomenologische literatuur, de rol van het ‘geleefde’ lichaam, ofwel wat hij noemt onze ‘lichamelijkheid’. Een van de meest belangrijke (en helaas ook een van de meest cryptische) passages betreffen wat de auteur noemt “pure lichamelijkheid”. Pure lichame-lijkheid is lichamelijkheid waarbij het lichaam nog niet als object gegeven is. Het wordt beschreven als een “standpuntloos lichaam” (p. 175), waarbij er al wel is voldaan aan de mogelijkheidsvoorwaarde voor ervaring “zonder dat er ook daadwerkelijk ervaring is” (ibid.). Het wordt de lezer in deze passages niet bepaald makkelijk gemaakt, maar het idee lijkt te zijn dat het lichaam  203  Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte , jrg. 105, nr 3, 2013, pag. 201-204 begrepen als object – bijvoorbeeld de kennis dat mijn neus onder mijn ogen zit, of überhaupt weten dat mijn bewustzijn hoort  bij een ‘objectief’ lichaam – pas bestaat bij gratie van een intersubjectieve dimensie. De Vleeschouwer: “Met de erkennning van de ander krijg ik ‘toegang’ tot een gedeeld spatio-temporeel kader (een ‘objectieve wereld) waarvan ik mijn lichaam nu ook kan zien als een van de volgbare objecten” (p. 177). Als ik de Vleeschouwer goed heb begrepen, wordt hier een Strawsoniaanse lezing van McDowell geboden: McDowells stelling dat psychologische continuïteit pas begrepen kan worden als lichamelijk continuïteit aanwezig is, kan zelf pas begrepen worden als we Strawson’s lessen over de intersubjectieve aard van bewustzijn serieus hebben genomen. Het lichaam als ‘object’ bestaat pas in een wereld waarbij we dingen volgen, mensen herkennen, doelen nastreven, enzovoorts. Hier lijkt een inte-ressant meta-filosofisch punt schuil te gaan over filosofie begrepen als antro-pologie: we moeten McDowells theorie niet begrijpen als ontwikkeld door een filosoof in de leunstoel, maar door een filosoof ingebed in een sociaal-cultureel milieu waarbij metafysische vragen deels voortkomen uit praktische belangen.Laat me nu overgaan tot een aantal vragen en mogelijke problemen omtrent de notie van ‘lichamelijkheid’. Als eerste kan men zich afvragen hoe de notie van ‘lichamelijkheid’ zich onderscheidt van bestaande noties te vinden in de fenomenologie (zoals een ‘minimal self’ of het lichaam-subject). Gezien de Vleeschouwer zich expliciet beroept op deze filosofen, is de vraag wat de toe-gevoegde waarde is van de notie ‘lichamelijkheid’, vooral gegeven het feit dat filosofen als Gallagher en Zahavi vanuit het fenomenologische uitgangspunt al kritiek hebben geuit op het debat over persoonsidentiteit (namelijk, door de parameters ervan te bevragen). Tenzij met ‘lichamelijkheid’ iets anders bedoeld wordt dan wat deze fenomenologen voor ogen hebben, in welk geval het mij onduidelijk is gebleven waar het verschil hem in zit. Als tweede is het mij niet duidelijk wat de nadruk op ‘de binnenkant’ of de ‘subjectieve tegenhanger’ van het objectieve lichaam precies betekent voor het debat omtrent persoonlijke identiteit. Lichamelijkheid lijkt een plausibele notie over de eenheid van ons bewustzijn of over hoe dit bewustzijn door ons ervaren wordt. Maar biedt het ook een criterium  voor onze identiteit door de tijd heen? Zoals de Vleeschouwer zelf opmerkt, is een lichaam de noodzake-lijke voorwaarde voor lichamelijkheid (p. 175). Waarom zouden we in dat geval niet datgene als criterium nemen dat onze subjectieve continuïteit zelf   mogelijk maakt? Het is beslist mogelijk hierop een overtuigend antwoord te geven, maar deze heb ik in het boek niet gevonden. Het is spijtig dat de auteur zich met zijn verhandeling over persoonsiden-titeit weinig heeft gemengd met de hedendaagse discussies, juist nu het debat weer een opleving geniet, en mogelijk veel kan hebben aan de contributies van McDowell en Strawson. Ik denk hierbij in het bijzonder aan het ‘anima-listische’ denken dat momenteel de boventoon voert. Animalisten als Paul Snowdon en Eric Olson verwijten de neo-lockeanen dat zij zich hebben laten misleiden door praktische en morele overtuigingen bij het ontwikkelen van hun identiteitstheorie, en stellen dat onze strikte identiteit simpelweg bestaat uit biologische continuïteit (metabolisme, circulatie, spijsvertering, etc.). In ander werk van McDowell vinden we niet alleen een theorie over het lichaam als spatiotemporeel object, maar (in zijn Mind and World ) ook een  204  Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte , jrg. 105, nr 3, 2013, pag. 201-204 scherpe kritiek tegen wat hij noemt “bald naturalism”, dat ons bestaan als ‘natuurlijke’ wezens en ons bestaan als bewuste, redelijke wezens radicaal van elkaar loskoppelt. McDowell waarschuwt tegen een “metaphysical split” die daarvan het gevolg is: de mens als biologisch wezen enerzijds (het studieobject van animalisten) en de mens als redelijk wezen anderzijds (het studieobject van Locke). Deze kritiek lijkt in het bijzonder van toepassing te zijn op het naturalisme dat ten grondslag ligt aan het huidige debat. Volgens animalisten, bijvoorbeeld, zijn de criteria van ons voortbestaan uiteindelijk een vraag naar de natuurlijke soort ‘mens’, en om die reden uiteindelijk een vraag voor de bioloog.Met McDowell kunnen we een dergelijke conceptie van wat het betekent een dier van de menselijke soort te zijn betwijfelen: we zijn geen ‘metabole-rende’ wezens waar de capaciteiten van reflectie zijn ‘opgeplakt’. Alle dierlijke  dingen doen we nu juist op een specifiek menselijke  manier (denk alleen al aan onze paringsrituelen waar online dating  een steeds belangrijke rol inneemt). 1  Een belichaamd, intersubjectief identiteitscriterium zou pleiten voor een iden-titeitscriterium in termen van human beings , in plaats van human animals , wat overigens geheel in lijn is met de Vleeschouwers ideeën over het lichaam als iets dat zich bevindt in een intersubjectief domein (p. 208). Ter afronding. Dit boek biedt op veel punten een informatieve verhande-ling over persoonlijke identiteit en gerelateerde thema’s. Het sterkste punt is zonder meer de ‘Strawson-lezing van McDowell’ en de intrinsiek intersubjec-tieve betekenis van het hebben en het zijn van ons lichaam. Tegelijkertijd is het nog niet helemaal duidelijk geworden waar de notie van lichamelijkheid precies voor wordt ingezet, en blijven er de nodige vraagtekens bestaan over de notie van lichamelijkheid zelf, en de relatie tot bestaande fenomenologische literatuur. De strategie om neo-kantianen opnieuw naar de voorgrond te trek-ken is niettemin in beginsel erg sterk, en mocht de auteur de ambitie hebben hierop voort te borduren, zou ik beslist nieuwsgierig zijn naar een toepassing van deze ideeën op het hedendaagse debat. 1 “We eat at tables, often with utensils, and we cook our food. Our shelters have mort-gages, and our mating rituals can include ice sculptures and speed-dating and self-help books. We share metabolic functions with other animals, but the rest of the animal kingdom does not include a multibillion-dollar weight-loss industry,” aldus Schechtman (2008, 47).
Related Documents
View more...
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks